Stel je voor: je staat voor een schilderij waar klokken smelten als kaas in de zon, olifanten op spinnenpoten door een woestijn lopen en een gezicht uit niets lijkt te zweven. Je kijkt en denkt: wat een gekke dromen.
▶Inhoudsopgave
Maar wat als die dromen eigenlijk niet gaan over de wereld, maar over één persoon alleen? Jezelf.
Precies daar gaat het bij Salvador Dalí. Zijn beroemde droomschilderijen zijn veel meer dan surrealistische kunst. Ze zijn een spiegel. Een grote, vervormde, soms beangstigende spiegel van zijn eigen narcisme en zelfbeeld.
Dalí: de kunstenaar die zichzelf niet kon loslaten
Salvador Dalí (1904–1989) was geen gewone schilder. Hij was een showman, een provocateur en, laten we eerlijk zijn, een van de meest zelfverliefde kunstenaars uit de twintigste eeuw.
Maar dat narcisme was geen bijeffect. Het was de motor van zijn kunst. In bijna al zijn schilderijen, vooral de droomachtige werken uit de jaren dertig en veertig, zit een constante terugkerende thema: ik, ik, ik.
Dalí noemde zichzelf ooit "de grootste genie van de wereld." Hij droeg kostuum bij elke gelegenheid, liet zijn snor twintig centimeter lang groeien en hield zichzelf graag in de schijnwerpers. Maar achter dat excentrieke masker zat een diep gevoel van onzekerheid. En precies die spanning, tussen grootsheid en kwetsbaarheid, maakt zijn droomschilderijen zo fascinerend.
De droom als eigen wereld
Dalí noemde zijn schilderijen "handgeschilderde droomfoto's." Hij beweerde dat hij zijn dromen letterlijk op het doek zette. Maar kijk goed naar werken als De volharding van de geheugen (1931), De geboren Narcissus (1937) of Slang en aas (1946).
Wat zie je dan? Je ziet geen willekeurige droom.
Je ziet een wereld die volledig draait om Dalí zelf. In De volharder van de geheugen smelten klokten over een lege vlakte. Er is geen ander persoon te zien.
De geboren Narcissus: een schilderij over zelfliefde
Geen verhaal met meerdere karakters. Alleen een eindeloze, stille ruimte waarin de tijd zelf lijkt te verdwijnen. Alsof Dalí zegt: in mijn wereld stopt alles. Zelfs de tijd geeft zich over aan mij.
Het schilderij De geboren Narcissus uit 1937 is misschien wel de meest directe uiting van Dalí's narcisme.
Het is gebaseerd op de Griekse mythe van Narcissus, de jongen die verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld in het water en uiteindelijk verdronk. Maar Dalí draait het verhaal om.
In zijn versie zit Narcissus op de linkerkant, geknield bij een meer. Aan de rechterkant staat een hand die een ei vasthoudt, en uit dat ei groeit een narcisbloem. De boodschap is duidelijk: Narcissus sterft niet. Hij transformeert.
Hij wordt iets nieuws, iets moois. Alsof Dalí zegt: zelfliefde is geen ziekte.
Het is een kunst. En laten we het hebben over de titel: "De geboren Narcissus." Niet "de stervende Narcissus" of "de verdronken Narcissus." Nee, geboren. Alsof narcisme iets is waar je in het leven komt, iets dat groeit en bloeit. Voor Dalí was dat letterlijk waar.
Het dubbele zelf: Dalí als kunstenaar en als onderwerp
Een van de meest interessante dingen aan Dalí's donkerste droombeelden is dat hij zichzelf vaak verdubbelt. In veel werken zie je een soort "ander ik" of een versmolten versie van zichzelf met iets anders.
In De grote masturbator (1929) zit een gezicht in het zand dat lijkt te smelten, met een sprinkhaan onder de kin.
Het is eng, maar ook herkenbaar. Alsof Dalí zegt: dit ben ik, maar dan vervormd door mijn eigen angsten en verlangens. Dit idee van het dubbele zelf komt ook terug in De twee Gala's (1974–1975), waar zijn vrouw Gala twee keer verschijnt, alsof ze uit elkaar groeit.
Maar eigenlijk gaat het weer om Dalí. Hij gebruikt anderen om over zichzelf te praten. Gala, de dromen, de symbolen, het zijn allemaal spiegels van zijn eigen psyche. Wat vertellen de vervormde lichamen in Dalí's werk over zijn psyche? Dalí beweerde dat hij zijn schilderijen maakte door in een stoel te zitten met een sleutel in zijn hand.
Waarom zijn dromen eigenlijk altijd over hemzelf
Als hij in slaap viel, viel de sleutel op de grond en werd hij wakker.
Dan schilderde hij wat hij net had gedroomd. Een slimme techniek, maar ook een beetje een truc.
Want wat je ook ziet in zijn schilderijen: het is nooit echt willekeurig. Het is altijd gefilterd door zijn eigen ego. Zelfs de angstige beelden, zoals de smeltende lichamen en de lege ogen, zijn geen tekenen van zwakte.
Ze zijn tekenen van controle. Dalí durfde het aan om zijn diepste angsten te laten zien, maar alleen op zijn eigen voorwaarden.
Hij bepaalde precies hoe zijn wereld eruitzag. En dat is de essentie van narcisme: de wereld mag bestaan, maar alleen als het over mij gaat.
De prijs van de spiegel
Dalí's narcisme had ook een keerzijde. Zijn relaties liepen vaak stuk.
Zijn vriendschappen met andere kunstenaars, zoals Luis Buñuel en Federico García Lorca, eindigden in ruzie. Zelfs zijn relatie met Gala, zijn grote liefde, was turbulent. Want als alles draait om jezelf, is er weinig ruimte voor anderen.
Maar misschien is dat precies waarom zijn kunst zo krachtig is. Omdat hij nooit probeerde iemand anders te zijn.
Geen ander thema koos. Geen ander verhaal vertelde.
Alleen zichzelf, op de meest intense, verontrustende en soms prachtige manier die je je kunt voorstellen.
Wat we kunnen leren van Dalí's droomspiegels
Je hoeft geen narcist te zijn om Dalí's schilderijen te waarderen. Maar als je ze echt begrijpt, zie je dat ze gaan over iets universeels: de manier waarop we onszelf zien.
Iedereen heeft een zelfbeeld. Iedereen heeft dromen waarin hij of zij de hoofdrol speelt.
Dalí deed het gewoon harder, groter en eerlijder dan de meeste mensen durven. Zijn droomschilderijen zijn geen onschuldige fantasieën. Ze zijn een eerlijke, soms ongemakkelijke blik in de geest van een man die wist wie hij was, ook al was dat beeld vervormd, overdreven en soms eng. En misschien is dat de grootste les van Dalí: kunst hoeft niet eerlijk te zijn over de wereld, maar het verkennen van seks en verlangen als droomthema is dat wel.
Maar het moet eerlijk zijn over de maker. Dus de volgende keer dat je voor een Dalí-schilderij staat, kijk dan niet alleen naar de smeltende klokken of de vreemde dieren.
Kijk naar de man die het schilderde. Want hij is er altijd in verstopt. Letterlijk en figuurlijk.