Stel je voor: je bent bijna één jaar oud en je hebt een broertje dat net geboren is. Jij hebt het warme schootje van je moeder nog niet eens goed kunnen voelen of het is al weg.
▶Inhoudsopgave
Dat broertje — ook Salvador genaamd — sterft op amper twee jaar oud. En jij?
Jij groeit op met het idee dat jij niet echt jij bent, maar een kopie. Een vervanger. Precies dit gebeurde met Salvador Dalí, en het vervormde zijn hele leven. Zijn kunst? Die is er de spiegel van.
De dood van een broer die Dalí nooit heeft gekend
Op 1 augustus 1901 werd in Figueres, een klein stadje in Catalonië, een jongetje geboren.
Het kreeg de naam Salvador. Negen maanden later, op 11 januari 1902, stierf het kind aan een maagontsteking.
Precies twee jaar en drie maanden daarna — op 11 mei 1904 — werd er opnieuw een jongetje geboren. En wat gaven ze hem als naam? Precies hetzelfde: Salvador. Dalí groeide op met het verhaal dat hij de tweede Salvador was. Zijn ouders hadden zelfs een portret van de overledene boven zijn hangmat gehangen.
Stel je eens voor: als baby kijk je omhoog en zie je een gezicht dat op jou lijkt, maar dat dood is.
En iedereen om je heen behandelt je alsof jij die ander bent. Of tenminste: een versie ervan. Dalí zelf schrijft erover in zijn autobiografie Het geheime leven van Salvador Dalí uit 1942.
Hij beschrijft het als een traumatische ervaring die zijn identiteit voorgoed heeft bepaald. Hij voelde zich geen origineel, maar een duplicaat. En die angst — de angst om niet echt te bestaan, om slechts een schaduw te zijn — keert terug in bijna al zijn schilderijen.
Hoe rouw zich vertaalt in surrealistische droombeelden
Wat doe je als kind met een verlies dat je niet eens kunt herinneren?
Je kunt er niet over praten. Je kunt er niet om huilen.
Het zit er gewoon in. En bij Dalí kwam het eruit via kunst. Niet als een directe uiting van verdriet, maar als iets veel duisterder: als droombeelden die je niet kunt uitleggen, maar die je niet loslaten. Kijk naar zijn beroemdste werk: De volharding der herinnering uit 1931.
Die zachte, smeltende klokken. Wat zie je daar? Tijd die verdwijnt. Herinneringen die weglekken.
Een landschap dat lijkt te vervallen. Veel kunsthistorici zien hier een directe link naar Dalí's gevoel dat zijn eigen bestaan vluchtig is — alsof hijzelf ook smelt, ook verdwijnt, ook niet echt bestaat. Maar het gaat verder.
In werken als De grote masturbator (1929) en De afschuwelijkheid van de oorlog (1937) zie je lichamen die uiteenvallen, vervormen, transformeren. Geen gezonde, stevige menselijke figuren. Altijd fragmenten.
De psychologische achtergrond: rouw die niet mag bestaan
Altijd iets dat breekt of wegsmelt. Als een gebroken spiegel die nog steeds probeert een beeld te geven, maar het nooit meer helemaal goed krijgt.
Vanuit psychologisch oogpunt is er iets bijzonders aan de manier waarop Dalí met dit verlies omging. In de begin van de twintigste eeuw was er geen ruimte voor rouw bij kinderen. Laat staan voor een kind dat het verlies niet eens had meegemaakt.
Er was geen woord voor. Er was geen plek voor.
Wat er dan gebeurt, is wat psychologen onuitgesproken rouw noemen. Het verdriet bestaat, maar het mag niet bestaan.
Het wordt gepusht naar een plek waar het niet thuishoort: het onbewuste. En het onbewuste? Dat komt terug in dromen. In angsten.
In beelden die je niet kunt uitleggen. Dalí had een methode die hij zelf paranoïde-kritische methode noemde. Hij probeerde bewust in een staat van waanidee te komen, zodat zijn onbewuste beelden naar boven konden komen. Hij zei zelf dat hij zijn droombeelden niet maakte, maar ving.
Alsof ze al bestonden en hij ze alleen maar moet oppikken. Klinkt dat niet precies als iemand die probeert te rouwen over iets dat hij nooit heeft gekend?
Waarom dit verhaal nog steeds raakt
Je hoeft geen kunstexpert te zijn om iets te voelen bij Dalí's werk. Die smeltende klokken, die vervormde lichamen, die oneindige vlaktes — het spreekt tot iets universeels.
Iedereen kent het gevoel van iets verliezen dat je nooit hebt gehad. Iedereen kent de angst om niet genoeg te zijn, of niet echt te bestaan. Dalí's broer is bijna honderd jaar geleden overleden.
Maar het verlies leeft voort. Niet in een graf, maar in schilderijen die miljoenen mensen hebben gezien.
In droombeelden die nog steeds onze verbeelding vatten. Dat is misschien wel de mooiste vorm van rouwverwerking die er bestaat: je verdriet omtoveren tot iets dat anderen raakt. De vol keer dat je een schilderij van Dalí ziet, denk er dan aan: achter die excentrieke snor en die gekke ideeën schuilt een klein jongetje dat opkeek naar een portret van iemand die op hem leek. En dat nooit heeft begrepen waarom iedereen hem aankeek alsof hij iemand anders was.